Door de coronapandemie wordt het beeld van St. Antonius dit jaar vereerd op zondag 23 januari 2022 in de St.-Sefanuskerk van Val-Meer in de hoogmis van 10.00u en niet in de St.-Severinuskerk in Meer.
Naar aanleiding van het feest van Sint-Antonius willen wij zijn legende nog eens in herinnering brengen. Gedurende honderden jaren, tot 1795, vormden Bolder en Meer een Loonse Heerlijkheid. Sinds jaar en dag verliepen de betrekkingen tussen beide gemeenschappen op wieltjes. Het verblijf van de familie de Méan in de kasteekhoeve te Bolder uit de 17 de eeuw en de oude St.-Severinuskapel te Meer waren de plaatsen waarrond de dorpelingen zich schaarden. De verslagen van de kerkbezoeken uit de 17de en 18de eeuw beschrijven een hechte verbondenheid tussen beide dorpjes, Bolder en Meer. Zelfs hun armentafel die tot doel had de behoeftigen te helpen door de bedeling van voedsel, geld, kleding en kolen verliep gemeenschappelijk.
’t Was 16 januari, putteke van een ouderwetse winter, een ijzige oostenwind blies van Bolder over Meer. Geen zinnig mens waagde zich buiten. ’s Avonds schaarde men zich knus rond het knetterend haardvuur dat spookachtige schijnsels tegen de schamele kamerwanden flitste.
Doch vier mannen van Bolder trotseerden nacht en ontij; ze hadden een snood plan gesmeed! Ze zouden het Sint-Teunesbeeld dat al ten jaren 1600 in de kerk van Meer pelgrims aantrok, naar Bolder brengen. ‘t Moest een onaangename verrassing zijn voor de lokale bevolking en de bedevaarders die ’s anderendaags Meer zouden aandoen.
Ze braken in het holst van de nacht de kerkdeur open en legden het eeuwenoude gepolychromeerde houten beeld gezwind in een wissen mand. Behoedzaam droegen zij de kostbare last via de Bodemstraat richting Peutje. Maar wat voelden onze belhamels? Hun gestolen buit woog zwaarder en zwaarder. Nu zetten ze hun prooi regelmatig neer en toen ze boven op de Peutjesweg arriveerden, moesten ze hun last als aan de grond genageld laten staan.
Met open bek hijgden ze van alteratie en inspanning; ze voelden een bovenaardse kracht die hun opzet dwarsboomde. Terwijl ze met de handen in het haar zaten, zonk hun de moed in de schoenen.
Maar deze kerels waren nog de kwaadste niet. In plaats van de plaat te poetsen, dachten ze: “Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald”. Prompt keerde de nachtraven zich om, met een forse snok hieven ze de zware Sint-Teunes op en droegen hem terug richting Meer.
Nu voelden onze bekeerlingen dat het beeld van de heilige eremiet in de mand alsmaar lichter en lichter woog. Op een drafje droegen ze de kluizenaar met bel, staf en varkentje naar de kerk weer en zetten hem parmantig terug op zijn vertrouwde sokkel.
’s Anderendaags, 17 januari, verliep het Sint-Teunisfeest rimpelloos. Naar alle waarschijnlijkheid had enige dagen later iemand in Bolder zijn mond voorbij gepraat en zo raakten de lotgevallen van de stoute kerels met het Sint-Teunisbeeld gekend.
Vanzelfsprekend steeg “onze vee-beschermer” in de gratie van de goegemeente.
Sedert onheuglijke tijden neemt het beeld daarom een belangrijke plaats in in de harten van alle Val-Merenaren. Zo vertelden vele ouders van oudsher aan de kinderen de legende van het eeuwenoude Sint-teunisbeeld van Meer. Zou het waar zijn dat een legende meer vertelt over het volk dan over de heilige?
Hoewel een legende‚ “een volksverhaal met religieuze inslag” betekent, hoeft men er geen gefundeerd relaas in te zoeken.
De legende groeit gewoonlijk in functie van een lokale eredienst. De bevolking moest immers kunnen prat gaan op zijn plaatselijke heilige, die pelgrims diende aan te trekken.
